De Gelderlander van 20-03-2004
Column Anton van Hooff
Nijmegen aan zee
Mijn geboortestad Den Haag wordt door zijn ligging aan zee belemmerd in zijn ontwikkeling. Is het met Nijmegen eigenlijk anders? Is de Duitse grens voor deze stad en andere plaatsen aan de rand van Nederland niet evenzeer een onoverkomelijke barrière? 
Het beeld van 'Nijmegen aan zee' kwam bij me op toen ik dezer dagen een conferentie bijwoonde die over 'Grenzkompetenz' ging, grensvaardigheid zogezegd. Natuurlijk wordt er hoog opgegeven van de samenwerking over de grens. Er worden Euregio's gecreëerd die bedoeld zijn als voorbeelden van Europese integratie. Bereiken zulke ondernemingen meer mensen dan de politieke elites? 
Zelfs waar twee gelijkwaardige streken aan elkaar grenzen verlopen de ontwikkelingen niet gunstig. Kerkrade en Herzogenrath verkopen zich samen als Eurode. Wat betekent die samenwerking in de praktijk? Goed, in Kerkrade heeft de brandweer een speciaal koppelstuk om de slangen van Herzogenrath aan te sluiten. Veel mensen doen aan gene zijde van de grens hun boodschappen.
Maar op menselijk niveau zijn de contacten mager. Vroeger toen het dialect de grens irrelevant maakte, was het aanzienlijk beter. Nu maken het Algemeen Beschaafd Nederlands en het Hoogduits de grens tot een echte horde. Men heeft een tijd gewerkt met het uitwisselen van onderwijzers om de leerlingen van de basisschool van jongs af aan vertrouwd te maken met tweetaligheid. Het experiment is gestopt. De onderwijzers nu zijn vervangen door een cd - rom.
Wat zou er in de grenszone meer voor de hand liggen dan tweetalige basisscholen, zeker nu steeds meer mensen een woning aan de andere kant kopen? Maar in zijn Turkenvrees heeft Nederland het zichzelf onmogelijk gemaakt anderstalig onderwijs te financieren. Het is niet het enige voorbeeld van de schade die Nederland zichzelf in zijn blinde vreemdelingenangst berokkent. 
In het Gelderse zijn de omstandigheden aanzienlijk ongunstiger dan in Zuid-Limburg of in Twente. De andere kant van de grens is niet dichtbevolkt. In veel opzichten is het daar nog de gave wereld van de jaren vijftig, met processies en een onaantastbare machtspositie van de CDU. Zo was het ook omstreeks 1970 toen ik als actief PvdA-politicus regelmatig ontmoetingen had met de 'Genossen' uit Kleef, die tot de oppositie waren gedoemd. We hadden toen de goede gewoonte dat ieder zijn eigen taal sprak. Toen keken de Nijmegenaren nog zoveel 'Fernsehen' dat ze geen moeite hadden het Duits te verstaan, ook al hadden ze de taal nooit op school geleerd. De kabel heeft die bijzondere relatie tussen Nederland en het nabije buitenland verbroken. Het is kenmerkend voor het doorknippen van deze banden dat de lokale kabelboer, UPC, 'unverfroren' de Westdeutscher Rundfunk, WDR, omruilde voor de blote dames van de Italiaanse RAI UNO (al zal dit per 1 juli weer worden teruggedraaid). 
Tegenwoordig maak ik het mee dat Nederlanders tegen Duitsers maar Engels praten. In hun beleefdheid passen de Duitsers zich aan. Ze zijn bescheiden geworden in de moderne wereld. Regelmatig krijg ik van Duitse collega's, zelfs van vlak over de grens, brieven in het Engels. Als ze in het Duits gesteld zijn, gaan ze steeds vergezeld van een verontschuldiging: helaas is de afzender niet in staat Nederlands te gebruiken. Er schijnen overigens op dit moment meer Duitsers Nederlands te leren dan omgekeerd. 
Natuurlijk, officieel krijgen alle middelbare scholieren nog de drie moderne vreemde talen aangeleerd. Maar zelfs het puikje van dit onderwijs, de vwo'ers die aan de universiteit komen studeren, begint te kreunen als ze een Duitse tekst krijgen voorgelegd het Frans is inmiddels helemaal Chinees geworden. 
Aan het Kelfkensbos in Nijmegen staat een monument dat herinnert aan de eerste spoorweg die de stad met de buitenwereld verbond. Dat was die met Kleef. Die spoorlijn ligt al een generatie te roesten. Ja, er is nu een snelbus, die om de twee uur rijdt . Tussen Arnhem en Emmerik is het al bijna even droevig gesteld met het openbaar vervoer. Deze toenemende vervreemding doet me denken aan Wonderlijke Nachten van Godfried Bomans. Daarin beleven de jongen Simon en een kabouter 's nachts allerlei avonturen. Op een nacht gaan ze met bed en al op reis.
Men zag mensen op drie benen rondlopen en ook mensen die het hoofd onder de arm droegen.
'We zijn al in het buitenland, zie ik,' sprak de kabouter, glimlachend rondziende.