Jaap van Kleef:
Het wegverkeer overwint; railtransport
bedreigd
Overal in Europa wordt steeds meer de openbare dienstverlening vervangen door
partikuliere winstdrang. Voor de vrije markt van het transport was het jaar 1992
een keerpunt. Die markt zal blijvend worden gedomineerd door de auto-industrie
en het wegvervoer zonder door het railvervoer bedreigd te worden.
Verbrokkeling en privatisering
Eind 1991 liet de EEG een richtlijn uitgaan tot ontwikkeling van de
spoorwegmaatschappijen in de Europese Gemeenschap. Ze geeft daarin de voorkeur
aan een grotere, bedrijfsmatige zelfstandigheid en een eigen maatschappelijke
houding van de onderneming. Precieser: de bevrijding van de financiële lasten
door bijvoorbeeld de boekhoudkundige scheiding van bedrijfsvoering en
infrastruktuur. Beslissend hierbij is de vrije toegang tot de
spoor-infrastruktuur van het internationale verkeer voor bestaande of nieuwe
spoorondernemingen. In het kader van een geïntegreerde verkeersmarkt legt een
aktieprogramma de vervolmaking van de verkeers-infrastruktuur vast. Daarbij
wordt een groot gewicht gegeven aan de bouw van hoge snelheidslijnen, het
gekombineerde verkeer en de ontwikkeling van verkeerssystemen voor het
wegenverkeer. Wegen en spoorlijnen zouden gelijkgesteld moeten worden en een
politiek van bevordering van het openbaar vervoer overbodig gemaakt (Richtlijn
91/440 van 29-07-1991).
De financiële situatie van de spoorwegen is begin jaren negentig tamelijk
slecht
in heel Europa. Maar in plaats van de spoorwegen in het kader van een sociaal en
ekologies georiënteerde totaalpolitiek te saneren en moderniseren, staan in
veel
landen de verbrokkeling en privatisering voor de deur. Overigens niet eerder dan
nadat de schulden voor die nieuwe ondernemingen zijn afgeschoven op de
maatschappij. De privee-bedrijven moeten immers gunstige voorwaarden geboden
worden. Schulden die altijd gebruikt zijn om aan te geven dat de Spoorwegen in
staatshanden verliesgevend waren, worden nu zonder skrupules kwijtgescholden.
Triomf auto
Hoe is de triomf van het autoverkeer en wegtransport te verklaren? In ieder
geval niet vanuit hun superieure gebruikswaarde. Integendeel. Wel vanuit een
specifieke, historiese situatie in de jaren twintig. Toen vond een massale
motorisatie plaats. De achteruitgang van de spoorwegen, zo'n veertig jaar later,
past in de ontwikkelingen van het kapitalisties systeem dat door de amerikaanse
ekonomie werd overheerst. De olie- en auto-industrie versterkten hun dominante
positie. Er ontwikkelde zich een strukturele scheiding tussen de infrastruktuur
van de wegen en de mogelijkheden van het autoverkeer (beter geschikt om winst te
maken) en het spoor. Het onderhoud en de uitbreiding van de infrastruktuur van
de autowegen werden goed gefinancierd door de staat, maar ook
privee-initiatieven konden zich vrij ontwikkelen. Daarbij werd de auto het
symbool van het overheersende kapitaal. Dat wil zeggen: van het individualisme,
een fundamenteel instrument van het kapitalisme.
Daar tegenover stond het spoor, een onmisbaar instrument voor de industriële
revolutie en in Europa ontwikkeld in dienst van de staat. Ondernemers gebruikten
de spoorwegen - goedkoop door de socialisatie - voor het vervoer van goederen en
hun werknemers.
Geen investeringen
Op dit moment wordt de positie van het spoor in de vervoers- en transportsektor
wereldwijd bedreigd. Van oorsprong waren spoorwegen altijd (en wegen soms) een
zaak van private winstakkumulatie. Midden vorige eeuw werden ze overal in de
wereld in die mate genationaliseerd dat het niet om het beheer van enkele
winstgevende stukken ging, maar om de inzet van een nationaal netwerk. De staat
nam in Europa in de meeste landen het hele net over, toen bleek dat
privee-ondernemers niet in staat waren het noodzakelijke onderhoud te plegen of
vervangingsinvesteringen te doen. Daar waar dit niet gebeurde en het spoor zoals
in de VS in privee-handen bleef, is het netwerk vergaand vernietigd. Ook op dit
moment zijn in veel landen de rails aan grondige vervanging of vernieuwing toe.
Daarin zullen de spoorbedrijven die in de nabije toekomst geprivatiseerd worden,
niet investeren. Het duurt vijftig tot honderd jaar eer zo'n investering zich
terugverdient.
Daar waar de staat zich de spoorwegen geheel toeëigende, is de toestand ervan
nog het beste. Bijvoorbeeld in Zwitserland, voor een deel (nog) in Duitsland en
Nederland. Ook in een land als de ex-DDR bestaat een verdicht netwerk van rails
dat nu met de eenwording zwaar wordt aangevallen door de beton- en autowals uit
West-Duitsland, die daar de zogenaamde achtergebleven infrastruktuur moet gaan
'aanleggen'. Tienduizenden Duitsers zullen in de komende tijd worden afgesneden
van goed en goedkoop openbaar vervoer.
Waar de spoorwegen, zoals onlangs in Japan, geprivatiseerd werden, kwam het tot
een massale afbraak van banen en stations, teruggang van de
veiligheidsstandaard, toename van ongevallen en enorme prijsverhogingen van de
kaartjes.
Europa 92
Sinds 'Maastricht' wordt er in Europa veel aan gedaan om de laatste obstakels
voor een nieuwe ekonomiese groei weg te nemen. Die groei wordt gezocht in nieuwe
mobiliteit via wegverkeer en transport, maar ook via een transnationaal net van
hoge snelheidslijnen en goederentreinen. Veruit het meeste geld gaat naar de
uitbreiding van het wegennet. In de plannen van de Europese Commissie moet de
infrastruktuur verbeterd worden. Dat betekent niet alleen meer tunnels onder het
Kanaal, maar ook 1.200 kilometer nieuwe snelweg dwars door Europa (een
uitbreiding van 35 procent tussen 1992 en 2002), tunnels door de Alpen en
Pyreneeën, tunnels tussen Frankrijk en Spanje, een snelweg tussen Lissabon en
Madrid en vaste oeververbindingen in en met Skandinavië. Kosten: 124 miljard
ecu
tussen 1992 en 1998.
De verwachting is dat het grensoverschrijdend vervoer tot 2003 met 50 procent
zal toenemen.
Scherpe konkurrentie
Het wegtransport kost de gebruiker in verhouding weinig, de staat betaalt de
infrastruktuur en de olieprijzen (brandstof) worden kunstmatig laag gehouden.
Belemmeringen voor het autoverkeer die in de jaren zeventig/begin tachtig in
diskussie kwamen uit overwegingen van milieu en ver- en opstoppingen, zijn weer
uit de gratie.
Het europese goederenvervoer wordt geliberaliseerd. De europese ministerraad
heeft al eerder een reglementering van het wegvervoer aangenomen, waarbij de
rijtijden zijn opgerekt tot negen uur per dag. De nederlandse
transportondernemers doen daar stevig aan mee. Ook zij zien het liefst
vrachtrijders die 24 uur per dag en zeven dagen per week rijden en langs de weg
slapen. De konkurrentie tussen de landen zal sterk worden opgevoerd ten koste
van de bescherming van vrachtrijders. Jarenlang zag de Internationale
transportmarkt er globaal als volgt uit. Het liep over de wegen van Frankrijk en
Duitsland - daar waren de meeste wegen - en werd uitgevoerd door ondernemers uit
Nederland en België die de beste transportmiddelen en logistieke verbindingen
hadden. Gewerkt werd met chauffeurs uit kleinere bedrijven met de laagste
salarissen, onderaannemers in Spanje en Portugal en Griekenland. Tweederde van
de 45.000 transportondernemingen zit in deze landen.
Tegenwoordig zijn de goedkope chauffeurs uit de ex-DDR de nieuwe konkurrenten.
Tevens is er de laatste jaren onder invloed van de verregaande flexibilisering
en het extensieve gebruik van uitzendburoos een verschuiving te zien naar
nederlandse chauffeurs. Maar liefst de helft van de Japanse en amerikaanse
ondernemingen kiest voor Nederland als vestigingsplaats vanwege de
hooggewaardeerde, nederlandse 'arbeidsmentaliteit' (werkloosheid en
overlegekonomie). Met de 'open grenzen' wordt elke 'arbeidsbescherming' ter
diskussie gesteld en groeit de druk om het laagste nivo van arbeidsvoorwaarden
in te zetten.
Deze ontwikkeling wordt versterkt door de verandering van een voorraadgestuurde
produktie naar een meer ordergestuurde produktie met kleinere voorraden en
snellere leveringen. Daarmee is het wegverkeer superieur aan het stugge
railvervoer. Zeker als het wegverkeer niet aan banden wordt gelegd en er in het
railvervoer niet wordt geïnvesteerd om die ongelijkheid op te heffen door
bijvoorbeeld een fijnmaziger railnetwerk en meer kombi-transport (vrachtwagens
op de trein, of flexibel kontainervervoer). Geheel anders ligt het met de grote
doorvoerroutes als de Betuwelijn, daarin wordt fors geïnvesteerd.
Maatschappelijke kosten
Ook in Zwitserland en Oostenrijk wordt door de Europese Unie de druk opgevoerd
om het wegtransport door hun grondgebied toe te staan. Als kompensatie voor hun
anti-asfalt beleid en als voorwaarde voor
eventuele toetreding tot de EU wordt geëist dat deze landen tientallen
kilometers spoortunnels laten graven om via de trein vrachtwagens te gaan
vervoeren. Een kostenpost die de bouwkosten van de Kanaaltunnel zal benaderen en
betaald wordt uit de infrastruktuurgelden van de EU. Gelden die niet voor een
fijnmazig verkeer beschikbaar zijn. Het gevolg is niet een afname, maar een
grote toename van het vrachtverkeer in deze Alpenlanden die nu als doorrijroute
door de grotere vrachtwagens gemeden worden.
Volgens een studie van de Europese Federatie voor Transport en Verkeer in
Brussel moet de EU alleen aan maatschappelijke kosten van het wegvervoer (bouw
en onderhoud Infrastruktuur, ongevallen, aantasting milieu enzovoort) zon 250
miljard gulden bijleggen. Als deze kosten zouden worden doorberekend, zou de
prijs van een liter benzine met 90 cent verhoogd moeten worden. Dit is een lage
raming, ander onderzoek komt op een literprjs van zeker tien gulden.
Auto-lobby
Tegelijkertijd worden de spoorwegen gedwongen steeds meer schulden op te bouwen,
omdat zij tegen hoge rentes geld moeten lenen voor de investeringen in hun
infrastruktuur. Voorwaar een ongelijke race. De auto-lobby blijkt krachtig. In
tegenstelling tot het europese bedrijfsleven is het europees parlement een
machteloos orgaan. De Europese Commissie laat zich uitsluitend adviseren door de
lobby van 'European Round Table of Industriallsts' met als nederlandse
voorvechters Timmer van Philips, Van Wachem van Shell en Maijers van Unilever en
verder bedrijven als Fiat, Volvo, Daimler Benz, Krupp, Thyssen en Pirelli. In
dit ondernemersplaatje past ook het al genoemde net van hoge snelheidslijnen
(HSL) en transnationale goederentreinen (de 'missing links'), dwars door natuur,
steden en dorpen. Van het uiterste noorden van Europa tot het puntje van
Portugal. En ook van West naar Oost, tot aan Rusland. Dit is geen keuze uit
milieuoverwegingen. De netto vervoersstromen over de weg dalen niet, de rails
nemen slechts een stukje groei of verstopping weg. De totale mobiliteit blijft
stijgen. Voor de langere afstanden worden HSL's en internationale
goederentreinen zelfs hier en daar parallel aan de nieuwe snelwegen gebouwd.
Voor het flexibelere vervoer en transport voor de 'just in time' produktie
blijft de auto superieur. Het railtransport wordt steeds meer bedreigd.